Elk Raak Magazine gaan een BV en een Raak-lid in gesprek. In editie januari-februari hebben burgemeester en acteur Walter De Donder en Raak-vrijwilliger Daan Van Elsen (Raak Krokegem) het over vader zijn.
Walter De Donder stond achttien seizoenen lang op de set van Samson & Gert als Meneer de Burgemeester. In Affligem kreeg zijn sjerp nog meer betekenis en rolde hij een politiek programma uit van wieg tot woonzorgcentrum. Kinderen en gezinnen plaatst hij op een voetstuk. En zo hoort het ook, meent Daan Van Elsen, bestuurslid bij Raak Krokegem (Asse). Volgens hem is de jeugd het bindmiddel van onze samenleving en is het aan de ouderen om iedereen samen te krijgen.
Ik moest niet kloppen, want in het gemeentehuis van Affligem doet de bel het wel. Op het bureau van Walter zie ik ook geen modelvliegtuigjes of de kenmerkende zwarte hoed van zijn personage uit Samson & Gert. Dat was ook te denken: zijn rol als goede burgervader is serieuzer van aard. Niet dat het enkel bittere ernst is, maar naast de bühne kan hij zijn sociaal engagement beter uitspelen. “Ik heb in de Chiro gezeten, was lid van kwb en speel nog steeds in de fanfare”, vertelt hij. “Het gemeenschapsleven laat je niet zomaar los. Ik heb de politieke boot eerst afgehouden, maar zag al snel in dat ik aan de tafel van het schepencollege een grotere impact had op de buurt. Als burgemeester kan ik het sociale bindmiddel echt verstevigen. Als dat ontbreekt, is je stad of gemeente niet meer dan een optelsom van burgers zonder raakvlakken.”
Daan herkent zich meteen in Walters pleidooi. Zijn jeugd passeerde ook langs stations waar verbinding en engagement een belangrijke rol speelden. Hij zat jarenlang bij de Chiro en stond in het weekend op het voetbalveld van verschillende lokale jeugdploegen. “Een logisch gevolg van de waarden die ik thuis meekreeg”, vertelt Daan. “Mijn ouders waren enorm betrokken in het verenigingsleven. Mijn moeder zat bij KAV, mijn vader zat bij kwb en zong in een gospelkoor. Door die ervaringen was het voor mij, net zoals bij Walter, een logische stap om het Comité Jonge Gezinnen bij Raak te leiden en om me politiek te engageren. Vanuit die rol is het net wat gemakkelijker om iets te realiseren en gelijkgezinden mee te krijgen.”
Dus zonder actief verenigingsleven ook geen kindvriendelijke buurt?
Walter: “Daar valt zeker iets voor te zeggen. Vooral omdat sommige verenigingen zich ook specifiek op gezinnen richten. Toen wij vroeger bij kwb activiteiten organiseerden, vroegen we ons telkens af of we wel tegemoetkwamen aan alle leeftijden. Als je dat efficiënt wil aanpakken, moet je sowieso aankloppen bij oudercomités, sportclubs of jeugdbewegingen. In het beste geval deint dat uit tot een grootschalige, inclusieve samenwerking.”
Daan: “Akkoord. Als je gezinnen aanspreekt, betrek je doorgaans een bijzonder grote groep. Kinderen zijn voor mij de lijm tussen mensen. Volwassenen komen elkaar tegen als ze naar een voetbalmatch van hun zoon of dochter gaan kijken of de kroost afzetten bij de Chiro. Je mag die kleine interacties niet onderschatten. We worden er jammer genoeg minder sociaal op en zijn minder geneigd om verbinding op te zoeken.”
Walter: “Een van de boosdoeners is sociale media. Die zijn natuurlijk allesbehalve sociaal. Daar moeten we jongeren tegen beschermen. Dat valt voor mij ook onder het kindvriendelijk maken van je buurt: hen stimuleren om hun smartphone weg te leggen, zodat ze uit eigen beweging gaan buitenspelen. Laat ze maar ravotten, een kamp bouwen en hun kleren vuilmaken.”
Veel ouders zijn tegenwoordig bang om hun kinderen buiten op straat of een pleintje te laten spelen.
Daan: “Dat begrijp ik, maar kinderen moeten ook leren inschatten of iemand al dan niet goede bedoelingen heeft. Zulke vaardigheden leer je in sportclubs of jeugdverenigingen. Hetzelfde voor verkeerssituaties. Ik woon met mijn gezin in een verkeersluwe wijk, de basketbalring staat op straat, maar ook daar is het oppassen. Natuurlijk moeten ze het gevaar niet opzoeken en is het belangrijk dat je hen begeleidt en afspraken maakt, maar je moet op z’n minst bewustwording creëren.”
Walter: “Het verkeer en de structuur van je straat of wijk bepalen in welke mate kinderen er zorgeloos kunnen spelen. Als burgers of een comité het bestuur een vraag stellen rond mobiliteit, zoeken we naar een oplossing waar iedereen wat aan heeft en geven we duiding op een heldere manier. Ook een kind moet mee zijn in het verhaal. Ik zeg er wel bij: je mag het gemotoriseerd verkeer niet afstraffen met zulke maatregels. Dan krijg je een scheefgetrokken situatie. Beleid voeren met een enge blik werkt niet.”
Daan: “Klopt, je moet net dat samenhorigheidsgevoel versterken. We zijn allemaal verantwoordelijk voor elkaars veiligheid en daarom moet je iedereen op sleeptouw nemen.”
Zouden jullie je gemeente omschrijven als kindvriendelijk?
Walter: “Onze jeugdbewegingen floreren en hebben een indrukwekkend ledenaantal. Dat is natuurlijk ook hun verdienste, maar Affligem is vooral kindvriendelijk omdat onze deur voor iedereen openstaat. Dus ook voor de jeugd. Op het vlak van kindvriendelijke infrastructuur, zoals bijvoorbeeld de jeugdlokalen, kan het nog beter. Maar dat is een delicate oefening. Verenigingen hebben hun eigenheid en daar kom je moeilijk tussen, zeker niet als het gaat om de inrichting van hun lokaal.”
Daan: “In Asse zijn sommige jeugdlokalen mee gefinancierd door de gemeente. Het bestuur nam de structuur en het schrijnwerk voor zijn rekening, maar met de inrichting bemoeiden we ons niet. Zo blijft de eigenheid van de vereniging intact en krijgen jongeren inspraak. Daarnaast is het speelaanbod in Asse heel divers: van sportpleinen en zwembaden tot skateparken. Daar genieten kinderen van vrijheid. Een kind dat speelt, is ongedwongen en gaat volledig op in zijn eigen leefwereld. Dat gevoel moeten we zoveel mogelijk stimuleren, onder meer door ervoor te zorgen dat ze zich veilig kunnen uitleven. Daar ligt een belangrijke rol voor lokale besturen, verenigingen en de buurt.”
Walter, jij was in een vorige legislatuur schepen van Jeugd. Hoe heb je dat ervaren?
Walter: “Als een privilege. Jammerlijk detail: op dat moment wilde niemand die functie bekleden. Iets wat ik nog altijd niet goed begrijp. Dat terzijde, want ik wil liever het engagement benadrukken van die jonge gasten. Ik woonde elke jeugdraad bij en stond te kijken van hun efficiënte en gestructureerde aanpak. Dan moet je als volwassene ook je plaats kennen en niet met een belerend vingertje komen zwaaien. Geef hen die vrijheid en weet waar je moet bijsturen. Als zij liever in een aftands lokaal zitten, is dat hun goed recht, maar zorg er dan voor dat het een veilige plek is. Dat is een gedeelde verantwoordelijkheid.”
Kan je elke buurt kindvriendelijk maken? Mobiliteit blijft een groot obstakel.
Walter: “Je bent altijd afhankelijk van de aanwezige infrastructuur en het wegennetwerk is inderdaad vaak een stoorzender. Onze maatschappij is nu zo ingericht dat we ons zo snel mogelijk kunnen verplaatsen. In de jaren 70 hadden we vooral oog voor gemotoriseerd verkeer. Nu moeten lokale besturen bijsturen, maar dat is vaak een onmogelijke opdracht. Speelstraten zijn op dat vlak een mooie tussenoplossing, temeer omdat je de straat moet engageren. Je moet handtekeningen verzamelen en bewoners aanstellen die het dranghek elke ochtend en avond verplaatsen. Zo creëer je ook weer een collectief.”
Zien jullie nog andere stoorzenders?
Daan: “Het gebrek aan zelfredzaamheid bij sommige kinderen. Ze zijn zo verslingerd aan een scherm, waardoor dat hun enige houvast is. Walter haalde het al aan, maar als volwassene moet je echt een alternatief aanbieden waar kinderen leren omgaan met elkaar. Daar moet je zelf het goede voorbeeld geven. Een hartelijke buurt is het begin van een kindvriendelijke buurt. Dat zit ook weer in kleine zaken: als ik thuiskom en iemand uit de straat zie, ben ik altijd te vinden voor een babbel. Mijn kinderen pikken dat op en kennen bij wijze van spreken de buurman beter dan ikzelf. Als ouders heb je meer invloed op kinderen dan je denkt. Akkoord, er moet qua infrastructuur mogelijkheden zijn, maar als de buurt niet faciliteert, zal je niet ver geraken.”
Walter: “Je hebt inderdaad die combinatie nodig. En nu we toch vergelijken met vroeger, ik zie nog een evolutie: we hebben de zorg voor kinderen grotendeels uitbesteed aan opvang. Dat moet ook, want beide ouders gaan nu werken. Maar daardoor zit je met allerlei afgebakende structuren die kinderen hun vrijheid ontnemen. Mijn ouders stuurden me tijdens de zomervakantie ’s ochtends naar buiten en ’s avonds keerde ik pas terug. Waar ik uithing, wisten ze niet. We trokken de wijde wereld in, wat zoveel betekende als twee straten verder. Door de drukte van vandaag is die spontaniteit verdwenen en is het wantrouwen in de openbare ruimte toegenomen.”
Je bent recent grootvader geworden. Ben je zelf ook wantrouwiger om je kleinzoon de wijde wereld te laten ontdekken?
Walter: “Nee, dat niet, maar ik vraag me wel af in wat voor een wereld hij zal opgroeien. Natuurlijk wens ik Milo een gelijkaardige jeugd toe, maar dat is niet meer mogelijk. Kinderen gaan veel missen. Ze gaan minder kattenkwaad kunnen uithalen en daardoor ook een stuk creativiteit mislopen. Wij bouwden kampen met spullen die we al fietsend tegenkwamen. En als we verdwaalden, zochten we zelf onze weg terug. We waren ook niet te beroerd om iemand de weg te vragen. Als een kind menu zou aanklampen en vragen: ‘Waar ben ik?’, dan zou ik me haast zorgen maken omdat hij het niet heeft opgezocht op zijn smartphone.” (glimlacht)
Daan, om af te sluiten draaien we de rollen even om. Stel dat jij één dag burgemeester was: wat zou jij doen om de buurt kindvriendelijker te maken?
Daan: “Als ik maar één dag heb, ga ik serieus mijn best moeten doen. (lacht) Ik zou een groot bewustmakingsfeest organiseren waar zoveel mogelijk mensen kunnen ervaren wat het betekent om kinderen meer ruimte te geven. Want als kinderen gelukkig zijn, straalt dat af op het hele gezin. Hoe meer mensen dat voelen, hoe groter de kans dat ze zich engageren om de buurt toegankelijker en aangenamer te maken voor iedereen.”
Goed idee, Walter?
Walter: “Zeker, want het doet me denken aan Affligem Kermist, een gratis indoorkermis in de Bellekouterhal. Ook daar staan gezinnen centraal en voorzien we activiteiten op maat van alle leeftijden. Het is onze manier om iets terug te geven aan de inwoners die Affligem mee levendig houden. Als je appreciatie en dankbaarheid toont, kan je als buurt veel verwezenlijken.”




